
Het overkwam me tijdens een overdracht met een nieuwe collega. Ik wilde een bewoner noemen die ik al maanden begeleidde, maar de naam — een naam die ik honderden keren had gebruikt — was plotseling weg. Ik wist dat ik hem kende. Ik wist zelfs dat hij vijf letters had en begon met een K. Maar de naam zelf? Vertrokken. Pas uren later, onder de douche, kwam hij terug: Karim.
Dit fenomeen heeft een naam: tip-of-tongue, of TOT. En het is een van de meest fascinerende voorbeelden van hoe mijn brein met kennis omgaat. Maar wat me pas later opviel, was dat dit niet zomaar een episode was van vergeetachtigheid. Het was een moment waarop ik had kunnen leren over de betrouwbaarheid van mijn eigen geheugen.
Dit artikel gaat over: Metacognitie
De tip-of-tongue ervaring is uitgebreid onderzocht door onder andere David Rubin en Michael Conway. Hun bevindingen laten zien dat TOT geen teken is van slecht geheugen, maar juist het tegenovergestelde: het betekent dat je brein de kennis heeft, maar dat de toegang tijdelijk geblokkeerd is. Het gevoel van weten is echter geen garantie dat de kennis ook daadwerkelijk aanwezig is.
Wat is tip-of-tongue precies?
Tip-of-tongue ontstaat wanneer je de zekerheid hebt dat je een bepaald stuk informatie kent, maar het niet kunt ophalen. Je brein detecteert dat de informatie ‘bijna’ beschikbaar is. Je voelt de nabijheid van het antwoord, maar het blijft net buiten bereik.
Onderzoek van Koriat en Bjork toont aan dat mensen bij TOT vaak wel gedeeltelijke informatie kunnen geven: de eerste letter, het aantal lettergrepen, de lengte van het woord. Dit suggereert dat de kennis niet weg is, maar dat de toegang ertoe tijdelijk verzwakt is. Het is alsof het bestand op de harde schijf staat, maar de index tijdelijk corrupt is.
Het verraderlijke aan TOT is dat het gevoel van weten vaak accuraat is — mensen die een TOT ervaren hebben daadwerkelijk vaak de kennis die ze zoeken. Maar soms ook niet. En het probleem is dat je brein geen onderscheid maakt tussen deze twee situaties. Het gevoel is in beide gevallen hetzelfde.
Waarom dit belangrijk is voor beslissingen
In mijn werk moest ik regelmatig snel beslissingen nemen op basis van informatie die ik uit mijn hoofd moest ophalen. Namen van protocollen, procedures, namen van contactpersonen bij instanties. En ik merkte dat als ik een TOT had over een bepaald onderwerp, ik de neiging had om dat onderwerp over te slaan of uit de weg te gaan. Niet omdat ik de informatie niet had, maar omdat ik het gevoel had dat ik het niet zeker wist.
Dit is een metacognitieve valkuil: je gebruikt het gevoel van weten als maatstaf voor de aanwezigheid van kennis. Maar gevoel en werkelijkheid kunnen verschillen. Soms weet je iets echt maar kun je het niet ophalen. Soms denk je dat je iets weet terwijl de informatie niet accuraat is opgeslagen.
Feeling of knowing: de bredere valkuil
Tip-of-tongue is een specifieke vorm van een breder fenomeen: de ‘feeling of knowing’ of FOK. Dit is dat gevoel dat je hebt wanneer je een vraag beantwoordt, zelfs als je niet zeker weet of je antwoord correct is. Je brein geeft je een signaal dat de informatie beschikbaar is, maar dat signaal kan liegen.
Onderzoek toont aan dat mensen redelijk goed zijn in het inschatten van wat ze weten, maar alleen bij vragen die hun geheugen al heeft behandeld. Bij nieuwe vragen of vragen die net buiten je expertise liggen, is de FOK vaak misleidend. Je brein geeft je hetzelfde gevoel of je nu echt weet of alleen denkt te weten.
In teamvergaderingen zag ik dit vaak gebeuren. Iemand zei met overtuiging iets over een onderwerp, en iedereen knikte — inclusief ik. Maar later bleek dat de persoon in kwestie een onnauwkeurigheid had geuit. Ze waren niet aan het liegen of bluffen; ze voelden echt dat ze het wisten. Het gevoel had hen misleid.
De calibratie van vertrouwen
Een belangrijk onderdeel van metacognitie is het kunnen calibreren van je eigen vertrouwen. Dit betekent dat je een realistisch beeld hebt van hoe betrouwbaar je eigen oordelen zijn. Mensen met een goede metacognitieve calibratie weten wanneer ze iets waarschijnlijk juist hebben en wanneer ze onzeker zijn.
Maar calibratie is niet statisch. Het verschilt per domein, per tijdstip, en per mentale toestand. Onderzoek van Dunlosky en Metcalfe toont aan dat mensen hun metacognitieve oordelen vooral baseren op hoe vlot informatie wordt opgehaald, niet op hoe accuraat die informatie is. Als iets snel en moeiteloos naar boven komt, voelt het alsof je het goed weet. Maar ophalingssnelheid zegt niets over de kwaliteit van wat je je herinnert.
Wat hier mis kan gaan in de praktijk
De misleiding van memory confidence heeft praktische consequenties die verder reiken dan alleen het vergeten van namen. In mijn werk met het coördineren van opvanglocaties moest ik regelmatig beslissingen nemen op basis van informatie die ik uit mijn geheugen ophaalde. Protocollen, afspraken met gemeenten, namen van contactpersonen bij instanties. En ik merkte dat ik soms dingen met vertrouwen zei die niet helemaal klopten.
Een keer had ik een gesprek met een bewoner over zijn traject. Ik was ervan overtuigd dat ik de afspraken met de gemeentelijke instantie correct had uitgelegd. Bij navraag bleek dat ik enkele details had verward met een ander traject. De bewoner had mijn uitleg vertrouwd, maar ik had onjuiste informatie gegeven. Dit had consequenties kunnen hebben voor zijn situatie.
Dit patroon zie ik ook bij andere professionals. Managers die met vuist op tafel beweren dat een afspraak is gemaakt, terwijl bij navraag blijkt dat die afspraak nooit is bevestigd. Collega’s die zeggen dat ze een protocol kennen, maar bij doorvragen de details niet kunnen noemen. Allen hebben ze het gevoel dat ze het weten. Allen hebben ze ongelijk.
Hoe je memory confidence leert herkennen
De eerste stap is het ontwikkelen van een skeptische houding tegenover je eigen gevoel van weten. Niet om jezelf te wantrouwen, maar om ruimte te creëren voor verificatie. De vraag is niet ‘voel ik dat ik het weet?’ maar ‘hoe zou ik dit kunnen controleren?’
In de praktijk betekent dit dat je strategieën ontwikkelt om informatie te checken voordat je ernaar handelt. Dit kan door het te vragen aan een collega die erbij was, door notities te raadplegen, of door expliciet te zeggen dat je niet 100% zeker bent. Dat laatste is vaak moeilijker dan het klinkt, vooral in professionele contexten waar zekerheid wordt verwacht.
Een tweede aanpak is het trainen van je vermogen om onderscheid te maken tussen verschillende soorten herinneringen. Niet alle herinneringen zijn gelijk. Sommige zijn gecodeerd met veel detail en contexte, andere zijn vaag en abstract. De mate van detail in je herinnering kan een indicatie zijn van hoe betrouwbaar die herinnering is.
Ten slotte: accepteer dat TOT normaal is en geen teken van achteruitgang. Het feit dat je een TOT ervaart betekent dat je brein de kennis heeft — het is een teken dat het zoeksysteem actief is, niet dat het faalt. De kunst is om te leren wanneer je op dat gevoel kunt vertrouwen en wanneer je extra verificatie nodig hebt.
Gerelateerd: Lees ook De onbetrouwbaarheid van geheugen en Zelfbewustzijn ontwikkelen: wie ben ik als denker?
Dit artikel valt onder: Metacognitie
Bronnen bij dit artikel:
Koriat, A., & Bjork, R. (2006). Mending metacognitive illusions: A comparison of mnemonic-based and theory-based procedures. Journal of Experimental Psychology, 135(1), 4-21.
Dunlosky, J., & Metcalfe, J. (2009). Metacognition. SAGE Publications.
Rubin, D., & Diana, M. (2008). What constitutes a disabling belief? Exploring the relationship between memory and belief. Review of General Psychology, 12(2), 99-112.
De inhoud van deze blog is gebaseerd op onderzoek, praktijkervaring en persoonlijke inzichten. Genoemde auteurs en onderzoeken worden aangehaald als inspiratiebron of illustratie. Alle niet-gemarkeerde inhoud vertegenwoordigt de visie en ervaring van Sertel Ortac.
Vond je dit nuttig? Volg me op LinkedIn voor meer inzichten.
Volg op LinkedIn