Brein & Veerkracht BV-030 Besluitvorming

Overconfidence bias: waarom je denkt dat je gelijk hebt

6 minuten leestijd

Je presenteert een plan aan het managementteam. Na afloop vraag je of er nog vragen zijn. Er zijn geen vragen. Iedereen knikt. Je voelt jezelfverzekerd: dit was een goed plan, de reacties bevestigen het. Maanden later blijkt dat het plan in de praktijk niet werkt. Hoe kon iedereen het mis hebben? Het antwoord ligt in een van de meest menselijke denkfouten: overconfidence bias.

Overconfidence bias is de neiging om je eigen capaciteiten, kennis en inschattingen hoger in te schatten dan gewettigd is door de feiten. Het is geen arrogantie, het is een structureel patroon in hoe menselijke breinen informatie verwerken. En het heeft directe gevolgen voor besluitvorming, risico-inschatting en leiderschapseffectiviteit.

Dit artikel gaat over: Besluitvorming

De anatomie van overconfidence bias

Er zijn drie vormen van overconfidence bias die regelmatig voorkomen in professionele contexten. De eerste is optimism bias: de neiging om te denken dat je minder kans hebt om negatieve uitkomsten te ervaren dan anderen. Managers denken vaak dat hun projecten eerder slagen dan die van concurrenten, zonder dat er altijd een objectieve reden is voor dat optimisme.

De tweede vorm is de better-than-average effect: de neiging om jezelf te beoordelen als beter dan de gemiddelde collega. In een studiezei tachtig procent van de automobilisten dat ze beter dan gemiddeld rijden. In werksituaties vertaalt zich dit naar de overtuiging dat je beter bent in plannen maken, mensen aansturen of risico’s inschatten dan je collega’s.

De derde vorm is certainty bias: de neiging om te veel vertrouwen te hebben in de nauwkeurigheid van je eigen oordelen. Wie een inschatting maakt en zegt dat die voor negentig procent zeker is, heeft die zekerheid vaak niet verdiend. De werkelijke betrouwbaarheid ligt vaak dichter bij zeventig procent.

Hoe overconfidence bias besluiten verpest

In mijn werk heb ik gezien hoe overconfidence bias leidt tot beslissingen die achteraf vragen oproepen. Een voorbeeld: een leider neemt een strategische beslissing op basis van marktinformatie waarvan hij overtuigd is dat deze actueel is. Achteraf blijkt dat de informatie van twee jaar oud was. De inschatting was genomen met volledige overtuiging, maar de basis voor die overtuiging was zwak.

Het gevaarlijke aan overconfidence is dat het zichzelf versterkt. Hoe vaker je beslissingen neemt met overtuiging en hoe vaker die worden bevestigd door de omgeving, hoe sterker het vertrouwen wordt. Maar bevestiging van collega’s is niet hetzelfde als objectieve evaluatie. Een team dat niet durft tegen te spreken, geeft een vals gevoel van zekerheid. De leider denkt dat iedereen het eens is, terwijl iedereen zwijgt.

De kosten van overconfidence zijn meetbaar. Bedrijven die teambuilding organiseren overschatten systematisch hoeveel de deelnemers ervan opsteken. Leiders die investeringsbeslissingen nemen overschatten hun eigen inschatting van de markt. Projectmanagers die planningen maken overschatten hoeveel ze in een week kunnen doen. Dit zijn geen individuele fouten, het zijn patronen die voorspelbaar zijn op groepsniveau.

Signalen van overconfidence herkennen

Het eerste signaal is de afwezigheid van twijfel. Wie nooit onzekerheid voelt over eigen oordelen, is waarschijnlijk te zelfverzekerd. Gezonde besluitvorming gaat gepaard met enige mate van onzekerheid, ook al wordt die niet altijd hardop uitgesproken. De afwezigheid van die onzekerheid is een teken dat het denkproces niet volledig is geweest.

Het tweede signaal is snelle besluitvorming zonder dilatatie. Wie binnen vijf minuten een beslissing neemt over iets dat normaal gesproken uren overweging vergt, heeft waarschijnlijk niet alle informatie verwerkt. Snelle besluiten zijn niet altijd slecht, maar ze moeten wel worden gecheckt achteraf. Overconfidence leidt ertoe dat die check achterwege wordt gelaten.

Het derde signaal is exclusief gebruik van bevestiging. Wie alleen informatie zoekt die de eigen overtuiging ondersteunt, en niet actief zoekt naar informatie die de eigen positie tegenspreekt, is bezig met overconfidence bias. Dit heet confirmation bias, maar het voedt de overconfidence.

Overconfidence beteugelen in de praktijk

Er zijn bewezen methoden om overconfidence bias te verminderen. De eerste is pre-mortem analyse: voordat je een beslissing doorzet, stel je je voor dat het plan is mislukt. Waarom is het mislukt? Wie deze vraag stelt, dwingt het brein om na te denken over risico’s die eerder werden genegeerd. Het is een simpele interventie die de kwaliteit van beslissingen meetbaar verbetert.

De tweede methode is expliciet tweede mening vragen. Niet als formality, maar met de vraag: wat zie ik over het hoofd? Wie dit regelmatig doet, bouwt een gewoonte in die overconfidence vermindert. Het helpt als de tweede mening komt van iemand die niet hetzelfde perspectief deelt.

Ten slotte: bijhouden wat je inschattingen waard zijn. Wie na elke belangrijke beslissing noteert wat de werkelijke uitkomst was en hoe die zich verhoudt tot de inschatting vooraf, bouwt een persoonlijke database van eigen biases. Dit is metacognitie in de praktijk: leren hoe je eigen brein informatie verwerkt en waar het systematisch fout gaat.

In organisaties is overconfidence bias vaak zichtbaar in hoe plannen worden gepresenteerd. Wie een projectplan schrijft, is geneigd om de risicos paragraaf oppervlakkig te behandelen. Niet uit kwade trouw, maar omdat nadenken over risicos die het plan kunnen laten falen ongemakkelijk is. Het plan zelf wordt geschreven vanuit de overtuiging dat het zal slagen. Die overtuiging straalt af op iedereen die het leest.

Ik heb dit meegemaakt bij het beoordelen van projectvoorstellen. Wie een voorstel schrijft met volledige overtuiging, krijgt vaak sneller goedkeuring dan wie een genuanceerder voorstel schrijft met expliciete risico-analyse. De helderheid van de overtuiging wordt beleefd als competentie. Maar helderheid is niet hetzelfde als accuratesse. Een overtuigend geschreven plan kan nog steeds op verkeerde aannames rusten.

De rol van leiders bij overconfidence is cruciaal. Leiders die zelf te veel vertrouwen hebben in hun eigen oordelen creeren een cultuur waarin zelfverzekerdheid wordt verward met competentie. Wie durft te zeggen ik weet het niet, wordt soms gezien als zwak. Wie met volledige overtuiging spreekt, wordt gerespecteerd. Dit versterkt overconfidence systematisch, jaar na jaar, beslissing na beslissing. De leiders die dit doorbreken door expliciet onzekerheid te tonen, zijn vaak degenen die de beste beslissingen nemen op de lange termijn.

Dit artikel valt onder: Besluitvorming


Bronnen bij dit artikel:
Kahneman, D. (2011). Thinking, Fast and Slow. Farrar, Straus and Giroux.
Plous, S. (1993). The Psychology of Judgment and Decision Making. McGraw-Hill.

Gerelateerde blogs: Besluitvorming en oefening: hoe je spiertje sterker maakt | Waarom je altijd te weinig tijd denkt: over planning fallacy | Brein & Veerkracht

Dit artikel valt onder: Besluitvorming

De inhoud van deze blog is gebaseerd op onderzoek, praktijkervaring en persoonlijke inzichten. Genoemde auteurs en onderzoeken worden aangehaald als inspiratiebron of illustratie. Alle niet-gemarkeerde inhoud vertegenwoordigt de visie en ervaring van Sertel Ortac.

Vond je dit nuttig? Volg me op LinkedIn voor meer inzichten.

Volg op LinkedIn
Deze blog is onderdeel van: Besluitvorming →

Klaar om te praten?

Herken je de uitdagingen uit deze blog in je eigen organisatie? Laten we bespreken hoe ik kan helpen.

Plan een gratis gesprek →